Snertrit 17 maart 2018

  
 
 

snertrit 17 maart 2018

 
 
 Het was Berekoud,
Toen Loes mij vroeg om een verslag van de snertrit te maken was ik met de aanhef al snel klaar,
want zoals ze in Scheveningen aan het begin van het jaar de Kâhwe Klâhwe rit hebben,
dacht ik er even over om de snertrit maar de Kauwe Kl..ten rit te noemen
(overigens is het verkorte woord wat niet al te netjes lijkt, niet zo heel bijzonder zie kader).
Bij dwarsgetuige zeilschepen werden de ra’s tegen de mast gehouden door een rak.
Dit was een bindsel aan de ra, om de mast, voorzien van grote houten kralen, de kloten,
zodat de ra toch op en neer kon bewegen bij het halen en strijken
Want uitgerekend deze zaterdag moest zo nodig de koudste 17 maart worden
sinds het begin van de metingen. 
 
  
Ik had er deze keer eens voor gekozen om met mijn Ei-tank te gaan rijden, want die had de winter
van 62-63 nog mee gemaakt en zou in ieder geval tegen de kou moeten kunnen,
in tegenstelling tot zijn baasje, die ook nog eens met een flinke rugpijn op zijn rug was geklauterd. 
Ruim op tijd kwamen Jan Beukhof en ik aan bij het Knorrehuus,
waar we ons konden opwarmen met cake en koffie en we lekker tegen elkaar konden klagen over de kou.   
Op een gegeven moment begon ik mij toch wel wat zorgen te maken,
want ik had nog geen spoor gezien van onze rituitzetter Andries.    
Net toen ik een span sledehonden gereed wilde maken voor een zoektocht, zwaaide de deur open
en vergezeld van een dikke koude mist kwam er een soort van rus binnen
met naar het leek een dooie wasbeer op zijn kop. 
 
   
Het bleek zowaar onze Andries te zijn die, om geen kouwe helm te hoeven opzetten,
op een dames-geval met het embleem Sachs was gekomen
en zijn geliefde Hercules bij de kachel had gelaten.
  Hij stelde voor om gezien de temperatuur maar wat later te starten en de rit ook wat in te korten,
wat met algemene stemmen werd aanvaard, maar om kwart voor elf was het medelijden voorbij
en werd ons verzocht ons stalen ros te bestijgen en de kou te gaan trotseren.  
 
 
Veertien bikkels uit de tijd dat de mannen/bromfietsen en zelfs ook enkele vrouwen van ijzer waren
(Zie ook Kenau Simonsdochter Hasselaer; 1526-1588) legden hun lot in de handen van Andries ,
 
       
 
startten hun stalen rossen en reden braaf achter Andries aan, onbekende verten tegemoet. 
Via de Fransesteeg, – de Zecksteeg ,- Meikade kwamen we op de Lunterse kade
waar ik stiekem alweer naar de kachel begon te verlangen.     
 Verder ging het daarna langs van Ginkel trucks
( je weet wel die jongens die alleen in de warme woestijn rijden). 
 Vervolgens gingen we met de wind in de rug langs Renswoude
om daarna via een (IJskoude) route door de weilanden bij een soort van geitenpad uit te komen.    
Net toen ik dacht dat de vullingen uit mijn kiezen zouden beginnen te rammelen,
kwamen we bij het Fort aan de Buursteeg,
waarin zich het nieuwe Grebbeliniebezoekerscentrum bevindt.
 
 
Hier wordt het verhaal verteld van deze waterlinie,
die eeuwenlang een rol heeft gespeeld in de landsverdediging.     
Acht houten soldaten en een ijsvogel bewaken en verbeelden
een bijzondere geschiedenis van oorlog en vrede.
In het centrum kregen we eerst koffie met koek om op te warmen en daarna een korte rondleiding
en werd een korte film vertoond over de geschiedenis van de linie
en er is een interactieve landschapstafel.
Voorts zijn er voorwerpen, een tijdlijn, een loopgraafreconstructie en panelen
die de geschiedenis van het gebied verlevendigen.
Knap detail van deze linie is dat het water zo geregeld kon worden,
dat de vijand er niet op kon varen
“water te laag” en er ook niet met de kanonnen over kon “water te hoog”
een kleine vergelijking met de snert die we later bij het Knorrehuus kregen
(te dun voor de vork en te dik voor de lepel).     
 Na een uurtje of zo waren we weer lekker op temperatuur gekomen
en begonnen de magen te knorren
en werd de terugreis aanvaard, maar nu met de wind tegen.  
 
     
Hans Breeschoten had steeds op zitten scheppen dat het in de bezemwagen zo lekker warm was,
wat voor onze redacteur Maarten niet onopgemerkt was gebleven,
want onder het mom van “hij doet het niet meer “,
wat niemand dus geloofde, had hij zijn Sparta op de kar geschoven en was hij bij de kachel gekropen. 
 De echte bikkels reden achter onze Rus aan om dapper het “ijsbeertje”
zoals deze eendaagse winter genoemd
werd nog een half uurtje te trotseren.   
Deze bikkels mochten het genoegen smaken
om met gejuich, – bewondering en soep onthaald te worden
in het Knorrehuus door een vijftiental smulpapen, die de kou niet durfden te weerstaan,
maar zich de soep van Janneke en haar nieuwe assistente ook niet wilden ontzeggen
en geef ze eens ongelijk, want ze was weer voortreffelijk.
 
 
Hiermee was, wat volgens mij de koudste rit uit de annalen van Rijwiel -hulpmotorenclub 11+30  was,
weer tot een goed en tevreden einde gekomen.   
Andries heel hartelijk bedankt voor alweer een mooie rit
en Hans bedankt voor het rijden van de bezemwagen
( met Maarten).
 
De Kreidler groeten
Gijs van Beek